wie is me verloren

moeizaam druppelende gedachtes komen één voor één op dalend papier totdat smerig ruimte volle is en het langzaam de kale gang inne stroomt welke tot op ’t heden, geheel en al godverlaten is zover het oogske reikt ons goten in ’t stadshart raken verstopt met steeds meer schoone deernes die dieper in de putjes raken […]

droomstatig

als ons ogen zijnde gesloten alle mensen met misplaatst wensen gelukkig, lekkerst buitenslopen staatje van levend bewustzijn grenst aan het vermogen van droom zichtbaar smakend ’t in ruste zijn als dan mijn tijde rond opening alle dieren nog hunne holen verstieren feestend, ronkend in iets diepte gezichten langzaam opdoemen wolkend stoom van jassen afgeblazen zinsgoogelingen […]

nacht van de zevende hemelen

daar stonden we dan, voor den dichter poort van die andere zes in godsnaam, dan maar de zevende, al wil daar geen hondeke zit precies wat we vroeger nodig hadden. ‘gezelligheid kende geen tijd’ dreunde een uptown melodietske bij vermolmd weerbaerstige deur wisten niet hoe snel of we plaats moesten vinden om te nestelen keken […]

dikkie van dwaele

en als ikke het dan echt niet meer weet met al mijn woorden en opgehoopt kennis zit mijn neus klem omdat ik het mijne wil de feiten die verliezen echter de aandacht gedachten speuren van buiten de boekskes encyclopies omzlingelen gezochte zinnen niks weegt meer op tegen het verre dwalen weg van wat wie ik […]

zwarte bladzijden

als boek eens het mij openslaat is in een klap mijn wit gebladzijd de aardige bodem wegwuivend vanaf drijvig etterende pagina’s zie ik niets dan zwart voor ogen en wil mij algauw het dichtslaan verwoed zoek ik naar openingen om enigszins mijn dag in te vullen ontsnappend met schaarsig licht hoe hard ik ook wil […]

dieperliggende ogen

in jaren keek je naar de stoel waar ik opzat alsof je geen behoeft had aan de woorden ogen veranderend grijs naar hemelsblauwe dacht je of misschien dat ik alles zou zijn terwijl jaren gezellig stapelden rond ons om monden zeiden meer dan ons langst zwijgen ’t oppervlak begon de scheuren te vertonen we lagen […]

gebuurt in alle straten

ze hielden hun zoveel van buurten zochten elkaar op met op een kop het kon dusjes nietus uitblijven dat in straat iets of dah ging bloeien men liep met roodfluwelig passen en ieders jas was van die ander arm in arm en het been om been zo ging dat al de maanden nu tot straten […]